Zoals Sting het in bovenstaand lied verwoordt, voel ik me soms als ik afreis naar het hoofdstedelijke. Veel mensen in Amsterdam praten namelijk Engels. Zoveel, dat ik me soms een vreemdeling in het hoofdstedelijke waan. Wel lekker avontuurlijk en exotisch. En een vakantie of optreden in het buitenland komt zo plotseling wel heel dichtbij.
Zondagavond trad ik met Chantal op in de Heeren van Aemstel. Dit ter ere van de tweede verjaardag van Blue Nose Sunday. Het is altijd gissen wat je tegen gaat komen wanneer je vertrekt naar een optreden. Ik dacht dit keer aan iets met drank en katers op zondag. Dit bleek inderdaad het geval. Gastheer Mark vertelde dat het vrijdagavond nogal laat was geworden, twaalf uur ’s middags om precies te zijn en dat hij hier nog niet helemaal van hersteld was. Al snel kwam ik er ook achter dat Blue Nose Sunday bedoeld is voor alle verdwaalde Britten, Amerikanen en andere Engelssprekenden in Amsterdam die wel eens iets anders willen zien dat de Shamrock en de Molly Malone. Ze waren deze zondagavond in ieder geval allemaal bij elkaar gekomen om onder het genot van wat muziek luidkeels de hele avond bij kunnen praten. In hun moerstaal.
Het is nog niet gemakkelijk, dat omschakelen naar het Engels, zeker niet als het om dialect gaat. Zo joeg ik na mijn optreden bijna een slecht verstaanbare, maar enthousiaste fan weg. Hij wilde een cd kopen en vroeg steeds indringender iets wat ik verstond als: ”Broodje bal?!”. De neus van de man liep blauwer aan, zijn wanhoop steeg, zeker toen ik benadrukte echt geen honger te hebben. Na hulp van derden bleek hij alleen mijn naam te willen weten. Het broodje bal moest: “What’re you called?!” zijn. Dat maakte de zaak er niet eenvoudiger op. Want hoe spreek je het in het Engels uit, Marten de Paepe? Eerder die avond was ik nog enthousiast aangekondigd met: “Ladies and gentlemen, here he is, the wonderful Martin the Péép!!!” Ik hield het maar bij “You can call me Martin…” Om het goed te maken verkocht ik de man mijn cd met twee euro korting.
De avond deed me denken aan een optreden in de Ierse pub met rugby op de achtergrond. Soms een beetje ondankbaar, maar je verkoopt miraculeus genoeg altijd een paar cd’s. Alsof ze als souvenir mee naar huis worden genomen. Toen ik zelf weer thuis kwam bleek iedereen in ieder geval weer Nederlands te praten. Een half uurtje in de trein, ver genoeg om het gevoel te krijgen om van vakantie terug te komen.


